Het Gerechtshof in Amsterdam heeft dinsdag bepaald dat zelfstandige chauffeurs van taxidienst Uber ondernemers zijn, geen werknemers van het bedrijf. De uitspraak draait een eerdere beslissing van de Rechtbank Amsterdam uit 2021 om en wijst de claims van vakbond FNV af over vermeende schijnzelfstandigheid.
De zaak draait om zes chauffeurs die specifiek betrokken waren bij het hoger beroep. Het hof baseerde de beslissing op verschillende factoren: de mate van investering door chauffeurs zoals de aanschaf van een auto, de vrijheid om werktijden te kiezen, de strategie bij het accepteren of weigeren van ritten, de bijbehorende verdiensten en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.
Eerdere rechtbankuitspraak teruggedraaid
De Rechtbank Amsterdam had in 2021 nog bepaald dat Uber zijn chauffeurs in dienst moest nemen en de cao Taxivervoer moest toepassen. Het hof oordeelde eerder al dat Uber de cao niet hoefde na te leven in afwachting van de uitspraak in hoger beroep.
Het hof stelde de aanvankelijk voor 2023 geplande uitspraak uit om de Hoge Raad te raadplegen over de rol van ondernemerschap bij de beoordeling van arbeidsrelaties. De Hoge Raad adviseerde dat criteria voor ondernemerschap even belangrijk zijn als andere omstandigheden bij het bepalen of sprake is van zelfstandigheid of schijnzelfstandigheid.
Posities FNV en Uber
De FNV spande de zaak aan om werknemersrechten veilig te stellen voor chauffeurs die de bond als werknemers beschouwt. De vakbond wilde dat zij aanspraak krijgen op voorzieningen zoals ziektegeld en gelijke lonen.
Uber stelt dat de chauffeurs zelfstandige ondernemers zijn en dat ook moeten blijven. Door de uitspraak hoeft het bedrijf de chauffeurs niet in dienst te nemen en de cao Taxivervoer niet toe te passen.
Let op: Dit artikel is gemaakt met Kunstmatige Intelligentie (AI).







